Liturgische klok
In de kerk hangt onder het psalmbord een liturgische klok om ons ‘bij de tijd’ te houden. Elke tijd heeft zijn eigen kleur en dat wordt op de klok aangegeven. De kleur keert terug in het kleed op de tafel en vaak op de toga van de dominee.
Het kerkelijk jaar heeft twee tijden die eruit springen, twee witte tijden: de paastijd en de kersttijd. Wit is de kleur van het feest. Al heel vroeg is in de kerk de paastijd ontstaan, de tijd rond het lijden en de opstanding van Jezus. Het hoogtepunt is het Paasfeest. Maar daarvoor zit gedurende zes weken een tijd van bezinning en inkeer en die heeft een paarse kleur meegekregen. Jaren later bedacht de kerk dat het jaar zo niet compleet was en dat ook de geboorte van Jezus moest worden gevierd. Ook dat werd een periode met eerst een paarse kleur en daarna een witte: Advent en Kerst.
Tussen deze beide hoogtepunten zit twee keer een groene tijd, één na de kerst en één na de paastijd. Vooral de laatste is erg lang, want daar gaat een hele zomer en herfst overheen. Groen is de kleur van de hoop en van het leven. Zes weken na Pasen zien we één keer de rode kleur: de kleur van liefde en vuur. Dan wordt er Pinksteren gevierd.
Elke zondag wordt de klok één streep vooruit gezet door een kind. De kerkdienst begint dan in stilte, als het ‘kind van dienst’ naar binnen komt. Hij of zij brengt de briefjes met voorbeden binnen, steekt de kaarsen aan en zet de klok vooruit.